K.J de Koeijer bij de geallieerden

In de nacht van 25 op 26 oktober 1944 maakten Schotten van de 52e Lowland Divisie de oversteek vanuit Terneuzen over de Westerschelde.  Net voor de oversteek van de Schelde moest de heer Karel J. de Koeijer (1-14-RI) zich melden bij kapitein I.S. Toussaint. Het hoofdkwartier had de kapitein telefonisch benaderd met de vraag of hij vier mannen kon leveren om een moeilijke taak uit te voeren.

De heer de Koeijer koos na overleg met kapitein I.S. Toussaint voor de volgende personen:

1. de heer Th. de Ridder               3. de heer Plazier
2. de heer W. de Ridder                4. de heer K.J de Koeijer

Theophilus de Ridder (geboren op 28 juli 1914 te Axel) was tijdens de oorlog havenarbeider in Terneuzen. Eén van zijn grootste hobby’s was om met zijn bootje de Westerschelde op te varen en te gaan vissen. Hierdoor kende hij de geulen, zandbanken en de obstakels op zijn duimpje. 

 

 

De oversteek verwoord door de heer K.J. de Koeijer
Het was een stikdonkere nacht….. Elk vaartuig (Buffalo LTV) had achterop twee rode lichtjes, die aanvaringen moesten voorkomen. Hoe diep de Schotten van de ernst van de expeditie doordrongen waren moge blijken uit het feit dat ’s avonds een bidstond werd gehouden en ’s nachts even voor het vertrek nog een kort gebed werd uitgesproken.

De troepen waren nog maar nauwelijks een kilometer de Schelde op, of de hel brak los. Ononderbroken huilden de granaten boven de hoofden van de troepen en gaven de Duitsers op Zuid-Beveland een voorproefje van wat hen te wachten stond. Volgens ooggetuigen nam het angstaanjagend geloei van de granatenregen toe, naarmate ze de Zuid-Bevelandse kust naderden. Onder de dekking van het eigen artillerie vuur naderen de eerste troepen rond 5.00 uur de Bevelandse kust. Tot hiertoe was alles vlot  en volkomen naar wens verlopen, maar plotseling werd het de eerste troepen op treurige wijze duidelijk gemaakt dat de gevaren  nog niet geweken waren. De granaten begonnen in de nabijheid van de boten in het water te vallen en één projectiel kwam ongelukkig genoeg midden in een landingsvaartuig tot ontploffing. Het vaartuig vloog in brand en slechts één van de inzittenden kon gered worden….. Door middel van de radio werd het vuur verlegd naar de locaties van de vijandelijke artillerie stellingen.

Plots doemde de hoge zeedijk op… Het was een indrukwekkend schouwspel om deze grote vaartuigen op hun “rupsen” tegen de steile dijk op te zien kruipen.

De heren Th. de Ridder en Plazier waren ingedeeld bij het vijfde bataljon (Royal Scots Fusseliers) en rukten op in de richting van Hoedekenskerke. Onderweg stuitten ze op een officier van de SS. De geallieerden zeiden tegen oorlogsvrijwilliger Theophilus de Ridder “schiet hem maar kapot”. De heer de Ridder wilde dit niet en nam de SS officier gevangen waarna hij ontwapend werd. Tijdens de ontwapening werd  er een dolk in beslag genomen, deze heeft hij altijd als souvenir bewaard. En thans rust dit wapen in het Bevrijdingsmuseum Zeeland. 

Bij de voortzetting van de operatie werd de Ridder getroffen door een granaatscherf in zijn arm. Hij werd afgevoerd met een ambulance van de 156e Infanterie Brigade (zie onderstaande papieren) naar Antwerpen. Precies een dag na de landing zat het avontuur voor hem er dus al op.